|
Abdij van 't Park |
|
Kerk De geschiedenis van de sterk verbouwde abdijkerk begint in 1131 toen de eerste Parkheren voor zichzelf een primitieve romaanse kapel optrokken. In de 13de eeuw volgde de verbouwing van het bedehuis in een sobere romaanse stijl. Er volgden geen drastische veranderingen meer, tot abt Jan Druys in 1628 het koor met een travee verlengde.
Onder het koor, dicht bij het huidige hoogaltaar, liet de preIaat een crypte bouwen (cf. de nog duidelijk zichtbare sluitsteen met massieve ringen) waarin de Parkabten werden bijgezet. Tijdens de regering van de Oostenrijkse keizer Jozef II (1780 - 1790) werd deze grafkelder definitief gesloten. Abt de Waerseggere besloot in 1729 het uitzicht van de kerk aan te passen aan de smaak van de tijd. Hij liet de romaanse zuilen afbreken, de zijbeuken optrekken, grote bovenlichten aanbrengen en de noordelijke dwarsarm afbreken; de zuidelijke kreeg een herbestemming als sacristie. Broeder-bouwmeester Antoon Thijs kreeg de opdracht om de huidige toren te bouwen. De abt legde de eerste steen in 1729. Bij de restauratiewerken in de jaren 1980 werd in de onderbouw van de toren de originele romaanse ingang blootgelegd. Achteraan in de kerk verwijzen enkele kleine romaanse ramen naar de vroegste bouwfase. De ambitieuze abt de Waerseggere liet ook het kerkmeubilair grondig aanpassen. De Brusselse beeldhouwer Jacques Bergé (1696-1756) kreeg in 1728 de opdracht om het barokke hoofdaltaar te vervaardigen. Schrijnwerker Frans Ceusters leverde het nodige lindehout voor het altaarportiek. De onderdelen van het altaar werden door de beeldhouwer in zijn Brussels atelier afgewerkt en met kar en paard naar Park vervoerd. Het geschilderd imitatiemarmer werd later aangebracht. Boven het altaarblok kwam het schilderij "De geboorte van Christus" van Erasmus Quellin (17de eeuw). Omstreeks die tijd vervaardigde Bergé het grafmonument van de Parkabten, de abtstroon, de trofeeën met de symbolen van de Kerk en de eucharistie, en de witte houten beelden van Norbertus met monstrans en van Sint-Jan-Evangelist, die het koorgedeelte afsluiten.
Van iets latere dateert het koorgestoelte (1730-1738) met elegante schelpen op de armleuningen, wisselend versierde zittertjes (misericordiae) en links en rechts op de wangen twee nu verdwenen leeuwen.
Achteraan in de kerk vindt u twee biechtstoelen in
een vreemde combinatie respectievelijk met een spreekgestoelte en een reliekentribune. Dit
meubilair is eveneens van Bergé en ongeveer even oud als de koorbanken.
De preekstoel is van een anonieme kunstenaar en dateert uit 1771. Het koor telt acht grote
doeken van Pieter Jozef Verhaghen met als centraal thema scènes uit het leven van Norbertus en
diens grote voorbeeld, Jezus van Nazareth. De kunstenaar leverde de schilderijen in de jaren 1770 in
opdracht van abt Frans Generé (1762-1778). Iets later schilderde hij nog voor het kerkschip:
Paus
Innocentius keurt de orde van Prémontré goed en Norbertus predikt te Antwerpen tegen
de ketter Tanchelm. Twee andere doeken met als onderwerp Norbertus ontvangt het witte
kleed en De
hemelvaart van Maria zijn van de hand van respectievelijk Philippe de Champaigne (17de eeuw) en
Herreyns (18de eeuw). Aan de rechterkant van het schip bevindt zich op een hoge sokkel
een beeld van de heilige Quirinus, een Romeinse martelaar (3de eeuw n.C.) die sinds eeuwen in Park wordt
vereerd. "Het offer van Abraham" en "Een piëta" voor. Vier kleinere taferelen op 16de- eeuws hout beelden de vier evangelisten met hun attributen uit. De door Bergé aangebrachte houten medaillons verwijzen naar de norbertijnenorde:
De bezoeker verlaat de kerk door de hoofdingang en komt voorbij de grote beelden van de kerkvaders Augustinus en Gregorius de Grote. Rechts in de hoek bevindt zich het grafmonument van monseigneur Namêche (+1893), een rector van de universiteit, die na zijn emeritaat enkele jaren in de abdij verbleef en er op het kerkhof begraven werd. Het grote orgel, een Merklin en Schulze van 1853, werd tijdens een brand in 1985 vrij ernstig beschadigd en is niet meer bespeelbaar. |
|
|